
DE DEKOLONISATIE
|
Print
versie
|
![]() |
|
De 22e eeuw: een te korte eeuw voor een te snelle dekolonisatie
|
||
| Voor heel wat historici en chroniqueurs duurde de 20e eeuw slechts de tijd van een mensenleven : 75 jaar, van de eerste wereldoorlog in 1914 tot de val van de Berlijnse muur in 1989. |
|
Deze was gekenmerkt door de opkomst van een burgerij die de sociale en economische omwentelingen beheerste. Na 1989 traden we onder de hegemonie van een supermogendheid de eeuw van de mondialisatie binnen.
|
|
De breuk
|
||
|
De eerste wereldoorlog gaf het signaal tot de breuk. Daarvoor hadden veldslagen precieze doelen, zoals het veroveren van een gebied, heerschappij of de verdediging van religieuze, burgerlijke of aristocratische waarden. Men wist waarom men streed. Conflicten werden uitgevochten onder militairen en raakten in principe noch de bur-gers, noch het geheel van de nationale hulpbronnen. In 1914 begon die oorlog met een aanslag, gepleegd in een klein, bijna onbekend land tegen een bijna even onbekende aartshertog. Er viel een reeks dominostenen van politieke allianties. Voor het eerst in de geschiedenis stonden tientallen miljoenen mensen uit alle delen van de wereld tegenover elkaar, mensen die enkel de haat die men hen had ingeblazen als motivatie hadden. Voor de vechtende partijen in dit uitzichtloze conflict kon de oorlog slechts zinloos lijken, want hij zat jarenlang vast langs verdedigingslijnen en kostte ontelbare slachtoffers die vielen zonder echt te weten waarom.
|
|
Intussen kwam er een bedrieglijke verlichting uit het oosten: het communisme leek met het internationale marxisme een nieuwe richting te kunnen geven aan de menselijke evolutie. Talrijke intellectuelen dachten de absurditeit achter zich te kunnen laten door toe te treden tot bewegingen van links. Ze luisterden niet naar hen die het historisch fatalisme verwierpen voor voluntarisme en rechts patriottisme. De verliezers in het Verdrag van Versailles, aan de kant gelaten in het nieuwe wereldevenwicht dat daaruit voortkwam, wilden zich niet laten meeslepen in een voor hen ongunstige loop der geschiedenis. Ze werden radicaal in reactie, nationalisme en fascisme. |
|
De Grote Crisis en de Tweede Wereldoorlog
|
||
|
De economische crisis van 1929 deed de laatste zekerheden wankelen van hen die dachten dat het liberalisme van de vrije markt materiële welstand zou brengen en een alternatief voor het historisch marxistisch determinisme, als de Rede en de Zin van de Geschiedenis verstek gaven. Deze grote crisis had de verdienste een middenweg te banen tussen rechts en links totalitarisme. Het New Deal van Roosevelt in Amerika en de ideeën van Keynes in Europa beïnvloedden enigszins de hernieuwing van de oude christelijke, socialistische en liberale ideologieën van het Oude Continent, van de conservatieve en travaillistische strekkingen in Groot-Brittannië en van de republikeinse en democratische partijen in de Nieuwe Wereld. Er komt een nieuwe democratie uit voort, gebaseerd op het algemeen stemrecht, het syndicalisme, de sociale dialoog en de controle van de economie door de politieke macht.
|
|
|
|
Nieuwe illusies en contradicties
|
||
|
Een nieuwe illusie maakte zich meester van de geesten : het evenwicht tussen Oost en West, gegroepeerd in een blok van de NAVO en in een van het Warschaupact, en de min of meer eenstemmige dialoog in de UNO rond een Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, vaak met lippendienst, zouden een nieuwe internationale orde brengen. Maar voor de enen ging het om voorrang voor de individuele rechten en gelijkheid van de naties, voor de anderen om superioriteit van de staten bij de toekenning van deze individuele rechten. De verdedigers van deze beide thesissen hadden een vetorecht in de Veiligheidsraad en daardoor werd de tweespalt tussen ideeën en belangen nog versterkt. Het communisme haalde het meeste voordeel uit deze politiek van Blokken en vetorecht: het kon zich lange tijd ongestraft verbreiden van Oost-Duitsland tot Indochina en won met de slag een miljard gedwongen medestanders. |
|
De verwarring nam nog toe: de Europese democratieën, die de oorlog hadden gewonnen, werden naar de achtergrond geduwd door de opkomende overwonnen landen Duitsland en Japan. De VSA raakten achterop tegenover de URSS in de verovering van de ruimte en ook in strategisch opzicht : het communisme vestigde zich in hun achtertuin, in Cuba en Zuid-Amerika, en joeg hen weg uit Vietnam. De vroegere bondgenoten raakten verdeeld: Frankrijk verliet de NATO, de poging van Fransen en Britten om het Suez-kanaal te heroveren stuitte op een Amerikaans veto. Er kwam zelfs een ombuiging van de allianties door de samenwerking van Amerikanen en Russen in de ruimte en voor het 'atoomcontainment'. Oorlogen werden regionaal en namen uitbreiding: Israël/Arabische landen, Iran/Irak, India/Pakistan, Cambodja/Vietnam, Engeland/Argentina in de Malediven, enz. zonder dan nog te spreken van de ontelbare Afrikaanse conflicten. En overal spreidde de UNO een verbijsterende onmacht ten toon.
|
|
Het einde van de politiek der Blokken
|
||
|
De val van de Berlijnse muur in 1989 maakte een einde aan de politiek der Blokken en aan "het gevaar van nieuwe wereldoorlogen, warme of koude, gevoerd door grote mogendheden met steeds meer apocalyptische scenario's van massavernietiging" (E.J. Hobsbawn). Er rees een nieuwe hoop en men sprak al van het einde van de geschiedenis, die niet meer gestuurd zou worden door historisch determinisme, klassenstrijd en fataliteit der conflicten. Geen enkel alternatief zou opgewassen zijn tegen de wet van de vrije markt, getemperd door de regels van de democratie (Fukuyama). Zo zou er een periode van universele hegemonieën aanbreken: vandaag die van de VSA, morgen die van Japan en China. Ze zouden elkaar vreedzaam opvolgen in het kader van een economische wereldorde en een duizendjarige beweging van oosterse en westerse beschavingen.
|
|
|
|
Wetenschappen, kunsten en letteren
|
||
|
Net zoals de breuk van 1914 werd de kentering van 1989/1990 voorafgegaan door een wetenschappelijke revolutie. Voor de eerste wereldoorlog hebben fysische theorieën en voor de tweede de relativiteitstheorie van Einstein het begrip 'zekerheid' in vraag gesteld. Chaos werd zekerder dan orde en er zijn statistieken nodig als criteria voor de gegrondheid van hypothesen. Deze laatste zouden in wezen onbewijsbaar zijn : stellingen zouden slechts wetenschappelijke waarde hebben in de mate dat ze min of meer snel kunnen worden weerlegd (C. Popper). Onweerlegbare stellingen zouden dus ongeloofwaardig zijn, maar talrijke stellingen zouden onbewijsbaar zijn en dus waar noch vals. Zulke stellingen waren nauwelijks gekend omdat men er ook niet naar zocht. Dat waren de ideeën van de wetenschapslui van de tweede helft van deze korte 20e eeuw, maar heden gaat men in de richting van het zoeken naar een uitweg uit de chaos. Onze landgenoot Ilya Prigogine ontving de Nobelprijs voor het op gang brengen van deze nieuwe wetenschappelijke revolutie. Biologie en genetica nemen het voortouw tegenover de fysica.
|
|
|
|
De dekolonisatie
|
||
|
De geschiedenis van de dekolonisatie moeten worden gesitueerd binnen de hierboven geschetste evolutie. Deze geschiedenis vangt aan op het einde van de korte 18e eeuw (van het overlijden van Lodewijk XIV tot het einde van het absolutisme naar goddelijk recht als gevolg van de Franse Revolutie), met de onafhankelijkheid van de VSA, gevolgd door die van de Latijns-Amerikaanse landen. Er volgde daaruit geen blijvende wrok tegenover de vroegere heersers, wel drie voorbeelden van solidariteit voortvloeiend uit talengemeenschap: de Angelsaksische, de Spaanse en de Portugese, die samen met de gemeenschap van de Franssprekenden en het Zionisme het bestaan van de beschavingscategorieën van Huntington komen bevestigen. Het is wel paradoxaal dat die eerste geslaagde dekolonisaties plaatsvonden ten koste van de vernietiging van de autochtone culturen. |
|
De oprichting van Mandaatgebieden door de Volkerenbond (1919) paste in het kader van de overeengekomen dekolonisaties zoals door Wilson vooropgesteld. Tijdens de verdeling van het Ottomaanse Rijk werden Egypte, Irak en Syrië snel onafhankelijk in akkoord met hun mandaathouder Groot-Brittannië, in Libanon nogal ongaarne gevolgd door Frankrijk dat zijn invloed in de Arabische landen teloor zag gaan. Aan de Palestijnen werd daarentegen geen zelfbeschikking toegestaan. Ze moesten uitgebreide joodse kolonies dulden en op termijn ook de stichting van de staat Israël, waardoor ze de gevolgen dienden te torsen van de Shoah en van het oosters en westers antisemitisme. In de brokstukken van het Duitse Rijk in zwart Afrika kregen mandaathouders
de taak om Kameroen, Rwanda-Urundi, Oost-Afrika en Namibië, landen
waar de politieke rijpheid minder gevorderd was, te laten evolueren naar
zelfbeschikking.
|
|
Van het Atlantisch Handvest tot Bandoeng
|
||
|
De beweging gaat verder met de Anglo-Amerikaanse Atlantisch Handvest (1941) en de onafhankelijkheid van India, Ceylon (Sri Lanka) en Birma (Myanmar). Er werd buiten elke internationale regeling om, door Groot-Brittannië en zijn Aziatische kolonies over het statuut van deze gebieden onderhandeld. De verplichtingen van en de controle over de mandaathouders werden strenger. In Afrika werd het mandaat omgevormd tot voogdij, wat het tijdelijke karakter ervan in het licht stelt evenals de verplichting om de onderhorigen snel tot volwassenheid te brengen. Maar voor de kolonies, waar deze voogdijgebieden feitelijk verband mee hielden, was er in niets dergelijks voorzien. Daaruit zal later het probleem Namibië voortvloeien, waarover Zuid-Afrika de soevereiniteit zal claimen.
|
|
Frankrijk verkoos met Vietnam, Laos en Cambodja associatieakkoorden te sluiten eerder dan onderhandelde onafhankelijkheid. Met Zwart Afrika belegde het de conferentie van Brazzaville, kondigde er een Frans-Afrikaanse Gemeenschap aan en behield daardoor over zijn vroegere koloniale rijk een hegemonie, voor een prijs die het gering achtte. Onderhandelde onafhankelijkheid naar Angelsaksisch model kwam tot stand in Soedan, Jordanië, Libië en in de Hoorn van Afrika. |
|
De onafhankelijkheidsoorlogen, 1960 en het antikolonialistisch complex
|
||
| De weigerachtige houding van Nederland en Frankrijk
bracht onafhankelijkheidsoorlogen teweeg in Indonesië, Vietnam en Algerije.
Onder druk van soms gewelddadige manifestaties onderhandelde Frankrijk goedschiks,
kwaadschiks met Marokko en Tunesië. Intussen vond in de Britse kolonies
een vreedzame ontwikkeling plaats. België hield zich buiten deze evolutie tot in 1955, maar schrok wakker na Bandoeng en voerde daarna een aarzelend beleid. Kongolezen en Belgen spraken van zelfbeschikking, dan wel van een Belgisch-Kongolese gemeenschap rond Koning Boudewijn, tot na de rellen van 1959 het woord onafhankelijkheid door de koning werd uitgesproken. Over deze onafhankelijkheid werd volgens de Belgische interpretatie onderhandeld op de Rondetafelconferentie, maar volgens de Kongolese nationalisten werd ze veroverd. |
|
De chaos en de verpaupering die daarop volgden in de Derde Wereld zijn de tegenhanger van de wanorde in de ideeën en de anarchistische verrijking van de ontwikkelde landen op het einde van de korte 20e eeuw. |
Lectuur:
Eric F. Hobsbawm: Een eeuw van uitersten. De twintigste eeuw 1914-1991
Samuel Huntington : Botsende beschavingen
Francis Fukuyama : Het einde van de geschiedenis en de laatste mens.
Henri Grimal : La Décolonisation / Decolonization